hace 1 mes(es)
Ik sta de laatste weken vroeger op dan ik moet. Niet voor het werk, dat begint pas om negen. Gewoon omdat Gent tussen zes en zeven een andere stad is dan de rest van de dag. De trams rijden nog niet, de terrassen staan leeg met de stoelen nog op de tafels, en je hoort je eigen motor tegen de gevels terugkomen in plaats van hem kwijt te raken in het lawaai.
Ik rij bijna altijd dezelfde ronde, en dat is precies de bedoeling. Langs de Coupure de stad uit, over het water, en dan het jaagpad richting Drongen tot waar het asfalt smaller wordt dan een auto breed is. In september hangt de mist daar tot boven het riet en ze blijft liggen tot de zon er echt doorkomt. Ik zet de motor af en blijf een paar minuten staan. Anders heeft vroeg opstaan geen zin.
Op de terugweg neem ik het centrum, want dat is het stuk waar het eigenlijk om gaat. De kasseien rond de Vrijdagmarkt liggen slecht en dat is al honderd jaar zo. Je voelt elke steen in je polsen en in je rug, en tegelijk is er geen enkele plek waar rijden zo goed klinkt. Tussen de huizen aan de Kraanlei komt het geluid van twee kanten terug. Ik rij daar altijd trager dan nodig.
Om kwart voor acht sta ik weer voor de deur en drink ik koffie in de keuken met de helm nog op tafel. De rest van de dag heeft dan al iets van mij gekregen dat niemand meer kan afpakken. Het kost een uur slaap. Ik heb nog geen ochtend gehad waarvan ik achteraf dacht dat het dat niet waard was.
Aan de Antwerpse kaaien heb je hetzelfde voor zessen. Daarna is het gedaan met de rust.
Daarom sta ik voor de wekker op. Na zevenen is het niet meer hetzelfde.